Beelddenken en automatiseren

Beelddenken en automatiseren

Regelmatig krijgen ouders van hoogbegaafde kinderen te horen dat hun kind de tafels moet leren automatiseren. Hoogbegaafde kinderen hebben hier vaak moeite mee en blijven de tafels vaak razendsnel uitrekenen. Maar waarom is dat uitrekenen niet voldoende?  Automatiseren is echt nodig omdat de kinderen anders te veel fouten gaan maken in het voortgezet onderwijs en omdat uitrekenen te veel tijd gaat kosten. Tafels kennen is erg handig voor goed kunnen delen en vermenigvuldigen. Het automatiseren is bedoeld om het delen en vermenigvuldigen vlot en foutloos te kunnen.

Wat is automatiseren eigenlijk? Daarvoor nemen we een kijkje in onze hersenen tijdens het leren. Van hoogbegaafde leerlingen is bekend dat ze bij het leren vooral switchen tussen beide hersenhelften, waarbij regelmatig (bij de zogeheten beelddenkers) de rechterhelft meer ontwikkeld is dan de linkerhelft. Voor automatiseren gebruik je echter beide hersenhelften tegelijk. Deze vaardigheid is bij begaafden vaak minder ontwikkeld. Om beide hersenhelften te leren gebruiken kan je oefeningen doen waarbij de dominant gebruikte hersenhelft al “bezet” is door bepaalde handelingen die verricht worden. Hierdoor wordt het hoofd zogezegd verplicht om de andere hersenhelft te gebruiken bij het oefenen van bijvoorbeeld de tafels.

Als ik je zou vragen om aan het woord ‘fiets’ te denken, dat zien sommigen effectief de letters van het woord staan of horen het woord zonder beeld, terwijl anderen meteen een visualisatie maken van een fiets in al zijn varianten. Deze laatsten worden beelddenkers genoemd, al dekt deze term niet helemaal de lading. Je kan bij het eerste ook niet echt van woorddenkers spreken. Beter houden we het op een primaire voorkeur voor het gebruik van de linker- resp. rechterhersenhelft.

Een belangrijke doorbraak in hersenonderzoek kwam er in de jaren ’60 aan het California Institute of Technology waar Dr. Roger Sperry onderzoek deed naar epilepsie. Hij ontdekte dat elke hersenhelft een aparte manier van denken heeft, dat elke helft de wereld op een heel andere manier waarneemt en hierover communiceert op een geheel eigen manier. De functies van de linkerhersenhelft worden gekenmerkt door opeenvolging en orde, terwijl de functies van de rechterhersenhelft holistisch en diffuus zijn. De linkerhersenhelft kan delen samen zetten in een georganiseerd geheel terwijl de rechterhersenhelft instinctief eerst het geheel ziet. In onderstaande tabel worden de kenmerken en functies van beide hersenhelften weergegeven.

Een studente van deze professor, Jerre Levy,  vond later nog iets intrigerender: de twee hersenhelften hebben dan wel twee aparte manieren van denken, maar ze werken het best samen  aan  één  taak  om efficiënt  te  zijn. Zij ontdekte ook dat bij eerder makkelijke taken de communicatie tussen de twee helften vermindert en dat op dat moment één hersenhelft dominant wordt in het proces. Omgekeerd zullen bij moeilijke en uitdagende taken de beide hersenhelften integreren tot één brein waardoor aandachts- en cognitief vermogen toeneemt. Het is trouwens de rechterhersenhelft die zorgt voor aandachts-regulering. Dit betekent dat wanneer de rechterhersenhelft niet geactiveerd is en niet betrokken bij de opdracht, de aandacht gaat verminderen en er geen leerproces ontwikkeld wordt. Interessant om weten!

Ongeveer 1/3de van de bevolking zou een primaire voorkeur hebben voor ‘taaldenken’, ongeveer 1/3de dan weer voor ‘beelddenken’ en de rest heeft geen specifieke voorkeur.

Creatieve personen hebben de vaardigheid om de beide hersenhelften in evenwicht te brengen en om af te wisselen tussen beide. Een soortgelijke afwisseling is ook beschreven in studies van hoogbegaafde kinderen (West, 1991). Hoogbegaafde kinderen kúnnen ook op een logische manier gaan leren, maar dit is voor hen een vervelende klus. Leren doen ze het liefst in één geheel, intuïtief en in grote stappen. De meeste hebben dan ook een voorkeur voor het visueel-ruimtelijk denken. Er zijn twee groepen binnen de hoogbegaafde visueel-ruimtelijke leerlingen te herkennen: kinderen die zowel hoge ruimtelijke als hoge sequentiële vaardigheden hebben ontwikkeld en zij die dan wel uitblinken op visueel-ruimtelijk gebied, maar dan weer niet in het gebruik van hun linkerhersenhelft. Deze laatste groep van hoogbegaafde kinderen wordt meestal niet gezien op school en vormt een risicogroep voor onderpresteren. Zij hebben dikwijls  problemen met de typisch schoolse vakken zoals spelling, schrijven en rekenen, wat soms ook automatiseringsproblemen wordt genoemd, maar in wezen meestal een probleem is van verkeerde leerstijl. Heel af en toe wordt ze ook een label van dyslexie opgespeld, maar wordt het door het aanleren van een visuele methode om woordbeelden op te slaan meestal wel snel verholpen.

In ons huidig onderwijssysteem komt de auditief-sequentiële leerstijl voortdurend aan bod, maar er is behoefte aan een visueel-ruimtelijke lesmethode om ook deze groep van kinderen aan te spreken in hun manier van leren. We hebben allemaal twee hersenhelften, dus waarom zou je als leerkracht niet je instructie richten op beide helften zodat het merendeel van de kinderen van beide leerstijlen kan profiteren? Met een paar wijzigingen in je manier van lesgeven kan je ook de groep visueel-ruimtelijk lerenden bereiken. Het gebruik van overheadprojectors of recenter de digiborden; het geven van demonstraties om deze kinderen te leren door te zien; zelf-ontdekkend leren door ervaring; het gebruik van computers in de klas; vragen van toetsen niet alleen mondeling geven, maar ook schriftelijk aanbieden; werken met time-timers die de tijd visueel maken; eerst het overzicht aanbieden en dan pas terugkeren naar de afzonderlijke stapjes (top-down);… zijn slechts enkele van de vele mogelijkheden die kunnen aangeboden worden in de klas.

Kenmerken van Visueel-Ruimtelijk leren / denken

  • Puzzelen: gewoon, maar ook onderste-boven, zonder voorbeeld, of enkel de achterkant zichtbaar en zonder eerst de hoekjes en kantjes te leggen wat voor de meeste mensen het meest logisch lijkt,…
  • Tekenen: heel vroeg kopvoeters, patronen, perspectief, doorsneden van hun huis, grondplannen;…
  • Constructie: Lego®, Meccano, K’nex, Clickx,…
  • Getallen: tellen, optellen en aftrekken, vermenigvuldigen, patronen zien, interesse in het begrip oneindig,…
  • Visueel geheugen: weten hoe de afstands-bediening werkt door het te zien, herkennen van automerken, schaakstellingen, herinneringen,…
  • Ruimtelijke perceptie: groot richtingsgevoel, begrippen boven/onder/voor/achter/…
  • Landkaarten: interesse in geografie, wereld-bollen, (wandel)kaarten, GPS volgen,…
  • Levendige verbeelding: dunne lijn tussen realiteit en fantasie, ingebeelde vriendjes, feeën, elfen, spionnen, detectives,…
  • Mechanica: elektriciteit, chemie, kijken hoe dingen werken, gereedschap, uitvindingen,…
  • Dingen uit elkaar halen: en weer in elkaar steken, er iets creatiefs mee doen,…
  • Muziek: gevoel voor ritme, zingen, muziekinstrumenten, zelf liedjes maken, talent zonder oefenen,…
  • Doolhoven: er goed in zijn, maar ze ook zelf maken,…
  • Computers: er heel vroeg mee kunnen werken,…

Naast deze kenmerken op vroege leeftijd kan je voor oudere kinderen en volwassenen ook via een vragenlijst opgesteld door Ph.D. Linda Kreger Silverman herkennen of een kind een beelddenker is. Verder heeft zij, door meer dan tien jaar lang duizenden WISC-III-tests te bestuderen van kinderen, patronen gevonden voor een visueel-ruimtelijke leerstijl: PIQ>130 én VIQ<PIQ, subtest ‘blokpatronen’>16 én ‘blokpatronen’ ligt 3 punten hoger dan ‘cijferreeksen’, Perceptuele Organisatie > 130. Hierbij is slechts één van de criteria vereist om uit te maken of het hoogbegaafde kind rechts georiënteerd is. Wanneer er in de test trouwens een zeer hoge discrepantie te vinden is tussen blokpatronen en cijferreeksen, dan loont het de moeite even na te gaan of er geen auditieve verwerkingsstoornis in het gedrang is.

Het automatiseren bij hoogbegaafde beelddenkers

Hoe ga je nu te werk? Als eerste leg je uit waarom automatiseren nodig is. Soms moet het kind dingen leren die in eerste instantie zinloos lijken, maar die later van pas komen. Het kind moet ook leren dat leren soms niet leuk is, dat het soms saai is en dat je je over een drempel heen moet zetten om iets te doen wat niet je primaire interesse heeft. Leg het kind uit wat de reden is dat tafels zo belangrijk zijn, en dat je het vaak geautomatiseerd nog sneller paraat hebt dan als je het uitrekent (uitzonderingen daargelaten). En dat je dit later in nog complexere rekenopgaven van pas komt.

De volgende stap is om samen met je kind de tafels te oefenen in combinatie met beweging. Hierbij worden beide hersenhelften geactiveerd en kan het kind zich niet enkel focussen op de rechterhersenhelft. Het overzien en doorzien van het systeem (rechter hersenhelft) is nu lastiger om als leerstrategie te gebruiken en het kind maakt actiever gebruik van het geheugen (linker hersenhelft). Het gebruik maken van de beweging kan je doen door het kind tijdens het oefenen bijvoorbeeld een bal te laten trappen of gooien, met een kneedbal ritmisch te knijpen, knikkers in een bak proberen te gooien of een ballon in de lucht houden zonder vast te pakken. Eerst worden de tafeltjes netjes in volgorde opgezegd en later hussel je ze door elkaar, waarbij het kind het antwoord zo snel mogelijk dient te geven.

RECHTS – VISUEEL-RUIMTELIJK

  • communicatie via beelden en gevoelens
  • waarnemen en ervaren, beleven, parallel
  • zien en weten, inductie, associatief
  • synthese, holistisch, divergent
  • accurate conclusies in de afwezigheid van een logische bevestiging
  • visueel
  • ruimtelijk inzicht, driedimensionaal
  • ervaring beleven, verbeelding
  • het geheel, overzicht, vanuit een totaalbeeld

TAAL = CONTEXT:

  • zingen, ritme, muziek
  • gehele woorden horen
  • intonatie
  • gezichtsuitdrukking, lichaamstaal, gebaren, dans
  • verschillende betekenissen, synoniemen, humor

TIJD

  • geen tijdsbesef
  • hier en nu, meteen, impulsief
  • tegelijkertijd

LINKS – AUDITIEF-SEQUENTIEEL

  • communicatie via interne dialoog
  • sequentieel: volgorde, logisch, serieel
  • logica, deductie, conclusie
  • analyse, beredeneren, convergent
  • informatie opbouwen
  • auditief
  • geen besef van ruimte
  • ervaring verwoorden
  • delen, details

TAAL = TEXT:

  • praten
  • geluidspatronen horen
  • fonetisch
  • grammatica
  • letterlijk nemen

TIJD

  • tijd
  • planning, organisatie
  • stap voor stap, één voor één

 

DE VISUEEL-RUIMTELIJKE LEERLING

1.denkt primair in beelden

2.is visueel sterk

3.kan goed met ruimte omgaan

4.leert vanuit overzicht

5.begrijpt de lesstof wel of (nog) niet (nooit een beetje)

6.begrijpt complexe concepten gemakkelijker; heeft moeite met eenvoudige taken

7.bedenkt synthese en legt makkelijk verbanden

8.werkt vanuit het grote beeld; kan details over het hoofd zien

9.kan goed kaartlezen

10.is beter in wiskundig redeneren dan in automatiseren

11.leert hele woorden makkelijk

12.moet woorden visualiseren alvorens ze te kunnen spellen

13.geeft de voorkeur aan toetsenborden om te schrijven

14.ordent en organiseert op geheel eigen wijze

15.vindt intuïtief de juiste oplossing

16.leert het best door verbanden te zien

17.goed visueel lange termijn geheugen

18.leert concepten voor de eeuwigheid; haakt af bij stampwerk en herhaling

19.ontwikkelt eigen methoden om problemen op te lossen

20.is erg gevoelig voor de houding van de leraar

21.bedenkt bijzondere oplossingen voor problemen

22.ontwikkelt zich asynchroon (onevenwichtig)

23.kan erg onregelmatige cijfers halen

24.geniet van meetkunde en natuurkunde

25.leert de talen op locatie, door onderdompeling

26.is creatief, ambachtelijk, technologisch, emotioneel of spiritueel begaafd

27.is een laatbloeier

 

DE AUDITIEF-VOLGORDELIJKE LEERLING

1.denkt primair in woorden

2.is auditief sterk

3.kan goed met tijd omgaan

4.leert stapje voor stapje

5.leert met vallen en opstaan

6.presteert goed als moeilijkheidsgraad geleidelijk wordt verhoogd

7.is een analytisch denker

8.werkt vanuit onderdelen naar het geheel

9.volgt mondelinge instructies goed op

10.kan goed rekenen

11.leert klanken gemakkelijk

12.kan woorden spellend uitspreken

13.kan snel en netjes schrijven

14.is goed georganiseerd

15.kan stappen in het werk makkelijk verduidelijken

16.blinkt uit in uit het hoofd leren / stampwerk

17.goed auditief korte termijn geheugen

18.heeft soms herhaling nodig om het geleerde te blijven onthouden

19.leert goed via instructie

20.leert onafhankelijk van emotionele reacties

21.voelt zich goed bij één juist antwoord

22.ontwikkelt zich redelijk evenwichtig

23.haalt in de regel cijfers van gelijk niveau

24.geniet van algebra en scheikunde

25.leert de talen in de klas / les, door onderwijs

26.is academisch getalenteerd

27.is een vroegbloeier

 

 

Interessant? Wil je meer weten over hoogbegaafdheid en alles wat daarmee te maken heeft? Abonneer je dan nu op onze nieuwsbrief en ontvang de nieuwste artikelen in je postbus.

0