Hoogbegaafdheid en faalangst

In onze praktijk zien wij regelmatig kinderen, jongeren en volwassenen die worden belemmerd door faalangst. Faalangst is een bekend woord, de meeste mensen hebben hier een beeld bij, maar toch wordt faalangst regelmatig niet als faalangst herkend. Om faalangst te laten verminderen is het echter van belang om de angst tijdig te onderkennen en erkennen. In onderstaand artikel lees je meer over faalangst en hoe je faalangst kunt herkennen.

Wat is faalangst?  

Wie het woord faalangst in de Van Dale opzoekt, komt de volgende uitleg tegen: faalangst is de vrees om tekort te schieten. In andere woorden, iemand met faalangst is bang om fouten te maken, dingen niet goed genoeg te doen en dus te falen. Nu zal je misschien denken, “ja, dat heeft iedereen toch wel eens?”. Dat klopt, de meeste mensen herkennen dit gevoel en zijn wel eens bang om tekort te schieten. In onze praktijk spreken we dan ook pas van faalangst, wanneer de angst een langere tijd aanwezig is, de dagelijkse gang van zaken belemmert en de ontwikkeling van de persoon en zijn/haar omgeving in de weg staat.

Hoe ontstaat faalangst? 

Er is inmiddels veel onderzoek gedaan naar faalangst en de onderliggende oorzaken. De attributietheorie van Weiner verklaart waardoor faalangst ontstaat. Het proces waarin iemand bepaalt welke oorzaak er wordt toegeschreven aan een situatie, wordt attributie genoemd. Vanuit de attributietheorie wordt gezien dat de mate waarin een persoon het gevoel heeft dat hij/zij controle heeft over de situatie, een belangrijke rol speelt bij het ontwikkelen van faalangst. In het Engels heet dit de “locus of control” en wordt er een verdeling gemaakt tussen interne en externe factoren waaraan iemand succes of falen in een situatie kan toeschrijven.

Schaatsers voorbeeld in hoogbegaafdheid en faalangstVoorbeeld:

Sophie en Anna zijn schaatsers en nemen deel aan de Olympische Spelen. In de wedstrijd rijden zij tegen elkaar, Sophie wint en Anna wordt derde. Wanneer Sophie achteraf wordt geïnterviewd, wordt haar gevraagd wat ervoor heeft gezorgd dat zij er met de winst vandoor is gegaan. Sophie vertelt dat zij van te voren veel en hard heeft getraind en heeft doorgezet wanneer ze eigenlijk wilde stoppen. Aan Anna wordt gevraagd hoe zij haar tweede plek bereikt heeft. Anna vertelt dat ze geluk heeft gehad omdat ze in een voordelige baan startte, waardoor ze haar directe concurrent voor de derde plaats heeft kunnen verslaan.

In bovenstaand voorbeeld schrijft Sophie haar succes toe aan de moeite die zij van te voren heeft gedaan in de trainingen en de uren die zij in de sport heeft geïnvesteerd. Er is bij Sophie in deze situatie sprake van een interne locus of control, de sportster heeft het gevoel dat zij zelf verantwoordelijk is voor haar goede prestatie en deze prestatie kan worden toegeschreven aan haar inzet. Anna daarentegen, schrijft haar goede prestatie toe aan geluk, een externe factor. Zij heeft niet het gevoel dat ze deze prestatie zelf beïnvloed heeft. Dit heeft invloed op het zelfbeeld van beide sportsters. Het zelfbeeld van Sophie wordt versterkt doordat Sophie het gevoel heeft dat zij zelf verantwoordelijk is voor haar goede prestatie. Bij Anna gebeurt waarschijnlijk het tegenovergestelde, zij heeft het gevoel dat ze deze prestatie niet op eigen kracht heeft geleverd, waardoor dit een negatieve impact heeft op haar zelfvertrouwen en zelfbeeld.

Bij de kinderen, jongeren en volwassenen in onze praktijk zien we dit proces regelmatig terugkomen en zien we dat zij hun succes of het maken van fouten toeschrijven aan externe factoren zoals geluk. Soms leggen ze de schuld bij een ander en hebben ze het gevoel zelf niets te kunnen veranderen aan de situatie. Zo kan een kind het gevoel hebben dat hij een rekenproefwerk heeft verpest, doordat de leerkracht het niet goed heeft uitgelegd van te voren. Het kind schrijft zijn falen dan toe aan een externe oorzaak, de leraar.

Faalangstige kinderen, jongeren en volwassenen schrijven hun successen vaak toe aan externe factoren zoals geluk, waardoor hun zelfbeeld negatief beïnvloed wordt. Daarnaast schrijven ze het maken van fouten juist vaak toe aan interne factoren waardoor ze de schuld bij zichzelf leggen. Ze hebben hierbij echter vaak het gevoel dat ze er niets aan kunnen veranderen. Ze hebben het gevoel vast te zitten in hun situatie. Faalangstige personen ontwikkelen gedachten zoals: “Ik ben niet slim genoeg” of “Ik weet zeker dat het me niet zal lukken”. Vaak willen ze echter naar de buitenwereld toe laten zien dat ze niet dom zijn, ondanks dat ze zich wel zo kunnen voelen. Hierdoor zijn ze geneigd om uitdagingen uit de weg te gaan en daarmee falen te vermijden en alleen dingen te doen waarvan ze zeker weten dat ze er goed in zijn. Kinderen, jongeren en volwassenen kunnen daardoor het gevoel ontwikkelen dat zij iedereen voor de gek houden. Ze hebben immers zelf het idee dat ze niet goed genoeg zijn, maar proberen dit naar de buitenwereld toe niet te laten zien.

Hoogbegaafdheid en faalangst 

Bij hoogbegaafde kinderen, jongeren en volwassenen zien wij in de praktijk ook regelmatig faalangst. Deze wordt, net als bij anderen, veroorzaakt en in stand gehouden door bovenstaande oorzaken. Bij hoogbegaafdheid zien we echter dat bepaalde interne factoren zoals de intellectuele, beeldende en emotionele intensiteit, het risico op faalangst vergroten en in stand kunnen houden. De intellectuele intensiteit zorgt voor een hoge interne lat waar de hoogbegaafde steeds aan wil blijven voldoen. Hierdoor kan een hoogbegaafde al snel het gevoel hebben te falen, ondanks dat dit wellicht niet het geval is in de ogen van buitenstaanders. De beeldende intensiteit zorgt ervoor dat de hoogbegaafde zich goed kan voorstellen op welke manieren het allemaal mis kan gaan, wat anderen allemaal wel niet zullen denken en wat de consequenties zullen gaan zijn. De emotionele intensiteit is ook deels verantwoordelijk voor bovenstaande gedachten en voegt daar tot slot de nodige dosis aan hevige emoties aan toe, waardoor de hoogbegaafde bang wordt om te falen. Daarnaast zorgt de emotionele intensiteit ervoor dat hoogbegaafden goed aanvoelen wat de verwachtingen van hun omgeving zijn. Ze leggen de lat zelf hoog en willen vaak ook graag voldoen aan de verwachtingen die anderen hebben.

Faalangst herkennen

Komt dit alles je bekend voor? Wellicht herken je inmiddels jezelf, je partner, een van je kinderen, een leerling op school of iemand anders. Twijfel je nog? Bekijk dan eens onderstaand lijstje:

  • Heeft buikpijn/hoofdpijn/voelt zich niet lekker, vlak voor een prestatiemoment zoals een toets, presentatie etc.
  • Reageert emotioneel wanneer iets niet lukt. Wil bijvoorbeeld de spullen van tafel vegen of heeft een huilbui of woedeaanval.
  • Probeert onder taken uit te komen die hij/zij lastig vindt. Zegt bijvoorbeeld iets niet interessant te vinden of bedenkt een ander excuus.

Wanneer je één of meerdere van bovenstaande gedragingen herkent is er mogelijk sprake van faalangst. In onze praktijk werken wij onder andere met de UIL-methode om deze faalangst te verminderen. Dit is een speciaal ontwikkelde cognitieve gedragstherapie voor (hoog)begaafden. Wil jij met jouw faalangst aan de slag? Of wil je iemand helpen die belemmerd wordt door faalangst? Neem dan gerust contact met ons op om te informeren naar de behandelmogelijkheden van faalangst in onze praktijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

0