De vijf Overexcitabilities in relatie tot de intelligentie bij hoogbegaafde kinderen.

Warning: Illegal offset type in isset or empty in /mnt/web106/c0/41/53020441/htdocs/wp-content/plugins/addthis/addthis_social_widget.php on line 1162

LONGREAD – Auteur: Yvonne Buijsen-Duran

Intelligentie is het geheel van cognitieve of verstandelijke vermogens dat nodig is om kennis te verwerven en daar op een goede wijze gebruik van te maken, teneinde problemen op te lossen die een vast omschreven doel en structuur hebben (Resing en Drenth, 2007). Een hoge intelligentie resulteert bij kinderen in de meeste gevallen in hoge schoolresultaten. In Nederland wordt de mate van het aangeboren vermogen voor intelligentie doorgaans gemeten door de afname van een Intelligentie Quotiënt test, zoals de Wechsler Intelligence Scale for Children III (Wechsler, 2005) of de Revisie Amsterdamse Kinder Intelligentie Test-2 (Bleichrodt, Resing, Drenth & Zaal, 2012), waarbij een score die twee Standaard Deviaties hoger is dan een populatiegemiddelde aangeeft dat er sprake is van hoogbegaafdheid. Een hoge intelligentie wordt gezien als onderdeel van hoogbegaafdheid, maar er is nog geen eenduidige wetenschappelijke definitie van hoogbegaafdheid. Linda Silverman spreekt van begaafdheid als “een geavanceerd vermogen om betekenis te scheppen, met inbegrip van de capaciteit om abstract te denken en emotioneel te reageren op abstracte concepten die gebruikt worden bij de interpretatie van ervaringsfenomenen. Hoogbegaafdheid dringt door tot de intellectuele, sociale en emotionele realiteit van de gehele mens. “ (Silverman, 1998).  Hiermee heeft zij, in het boek Roeper Review uit 1998, als één van de eerste wetenschappers een definitie van hoogbegaafdheid omschreven die verder gaat dan het intelligentiequotiënt. Door deze omschrijving is er steeds meer aandacht voor het verband tussen de overexcitabilities en hoogbegaafdheid. De overexcitabilities zijn verwoord in de Theorie of Positive Disintegration (1964) door de Poolse psychiater en psycholoog Dabrowski. In deze theorie beschrijft hij vijf gebieden waarop individuen de werkelijkheid zeer intens beleven (Mofield, Parker Peters, 2015) en deze gebieden noemt hij de overexcitabilities (OE’s). Individuen die meerdere overexcitabilities ervaren, kijken op een andere manier naar de wereld, mogelijk met een groter overzicht (Dabrowski, 1972). Piechowski en Cunningham hebben deze intense manier van ervaren vertaald naar definities van de overexcitabilities. Zo is de psychomotorische OE de potentie om heel energiek te zijn in het neuromusculaire systeem. Een hoogbegaafde beweegt veel en heeft meer beschikbare energie om taken te volbrengen. De sensitieve OE is de mogelijkheid om intens te genieten van sensitieve prikkels of het zoeken naar sensitieve uitlaatkleppen voor innerlijke spanningen. Zo kan de hoogbegaafde erg blij worden van het gevoel van water over de handen of er juist door ontspannen. De intellectuele OE geeft een persistentie in het stellen van vragen, een grote behoefte aan kennis en analyse of een bezorgdheid over theoretische problemen. De beeldende OE zorgt ervoor dat de hoogbegaafde een heel rijke associatie heeft van beelden, indrukken en inventiviteit. Muziek of theater wordt intens beleefd en hij kan met een grote mate van creativiteit nieuwe dingen uitvinden of bedenken. De emotionele OE geeft de manier weer waarop emotionele relaties worden ervaren en de bijzonder grote intensiteit van het gevoel en de bewustzijn. Hierbij wordt gezien dat de hoogbegaafde intense emoties heeft en zich sterk bewust is van het eigen zijn.

Door Piechowski (1979) wordt beargumenteerd dat de overexcitabilities een betere voorspeller van hoogbegaafdheid zouden zijn dan andere testmethoden, zoals een IQ-test (Winkler en Voight, 2016). Uit een meta-analyse van Winkler en Voight (2016) naar het verband tussen hoogbegaafdheid en de overexcitabilities blijkt dat de hoogbegaafde deelnemers hogere gemiddelde OE scores hebben dan niet-hoogbegaafde deelnemers. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de effectgrootte voor psychomotorische OE niet statistisch significant bleek, terwijl de effectgroottes voor de emotionele en sensitieve OE’s klein waren. Berekende effectgroottes voor intellectuele en beeldende OE’s waren middelmatig. Het onderzoek van Mofield en Parker Peters (2015) keek naar de relatie tussen perfectionisme en de overexcitabilities bij hoogbegaafde adolescenten. Hierbij werd een relatie tussen de emotionele overexcitability en dimensies van perfectionisme gezien. Hoge emotionele en hoge intellectuele overexcitabilities en lage beeldende overexcitabilities hadden ook een relatie tot de mate van gezond perfectionisme en hadden een voorspellende waarde hierbij. In een Turks onderzoek (Yakmaci-Guzel, Akarsu, 2006) werden de overexcitabilities van hoogbegaafde en niet hoogbegaafde studenten met elkaar vergeleken. Volgens de bevindingen van deze studie waren de scores op de overexcitabilities van zeer intelligente, motiverende, creatieve en leidende studenten op sommige gebieden ongetwijfeld groter dan die van hun niet hoogbegaafde medeleerlingen. Er waren hierbij geen geslachtsverschillen gevonden met betrekking tot overexcitabilities. Uit bovenstaande onderzoeken blijken de OE’s een verband te hebben met hoogbegaafdheid, maar diagnostiek van hoogbegaafdheid geschiedt in de praktijk enkel aan de hand van een IQ-test. Hiermee wordt de door Silverman gestelde definitie van hoogbegaafdheid te kort gedaan; er wordt slechts éénzijdig naar het concept gekeken. Het is de vraag of hoogbegaafdheid beter geïdentificeerd kan worden aan de hand van onderzoek naar de overexcitabilities. Wirthheim en Rost (2011) hebben getracht hier antwoord op te geven en komen in hun onderzoek tot de conclusie dat “Het risico van misclassificatie te groot is om te proberen om begaafde of hoogbegaafde volwassenen alleen te identificeren op basis van overexcitabiliteitsscores”. Dit onderzoek is uitgevoerd met de vragenlijst zoals deze door Falk en Silvermann is opgesteld; de Over Excitabilitys Questionnaire-II (OEQ-II, 1999). Deze vragenlijst is in een studie van Warne (2011) onderzocht naar de betrouwbaarheid ervan. Hierbij blijkt Cronbach’s alpha constant hoog te zijn op alle OEQII-subschalen wanneer de steekproef bestond uit volwassenen.

Samenvattend is gebleken dat er een samenhang is tussen de overexcitabilities en hoogbegaafdheid, geoperationaliseerd met een IQ-test. Er zijn echter ook negatieve relaties tussen hoogbegaafdheid en de OE’s zichtbaar geworden vanuit de onderzoeksvraag van Wirthheim en Rost (2011) of de OEQ-II een betere testmethode is voor het vaststellen van hoogbegaafdheid dan een IQ-test. Het is daarmee niet aan te raden om de OEQ-II als vervangend diagnostisch middel te gebruiken voor een IQ-test. De vraag blijft bestaan of de OEQ-II wel van toegevoegde waarde kan zijn in de diagnostiek van hoogbegaafdheid. Een belangrijke reden om dit na te gaan is om een completere diagnostische methode te vinden waarmee hoogbegaafdheid onderzocht kan worden. Het is belangrijk om een zo compleet mogelijk onderzoeksinstrument te vinden, om te voorkomen dat er misdiagnoses plaats vinden door het onderpresteren bij de reguliere afname van een IQ-test. Als de OE’s een duidelijke samenhang laten zien met intelligentie dan kan het een goede keuze zijn om een vragenlijst, gericht op de OE’s, mee te nemen in de testbatterij. Om de mate van intelligentie vast te stellen kan een IQ-test gebruikt worden, maar dit kan tevens gezien worden door middel van het dagelijks functioneren en daardoor middels een hiervoor opgestelde vragenlijst bepaald worden. Hiermee wordt het mogelijk onderpresteren op de IQ-test al zo veel mogelijk ondervangen; de aanvullende OE-vragenlijst zal de overige kans op onderpresteren kunnen ondervangen.

Het lijkt waarschijnlijk dat de bijdrage van de intellectuele OE groter zal zijn op intelligentie dan de bijdrage van de andere OE’s op intelligentie. Hiermee ontstaat de onderzoeksvraag: “Is er een samenhang tussen de vijf overexcitabilities en een hoge intelligentie?”.  Deelvraag is of de intellectuele OE een sterkere unieke relatie met intelligentie heeft dan de unieke relatie tussen de andere OE’s en de intelligentie. Vanuit de resultaten uit eerder onderzoek worden de volgende hypotheses opgesteld:

  • Er is een positief verband tussen de intellectuele OE, gemeten met iOE vragen, en intelligentie, gemeten met intelligentie-vragen.
  • Er is een positief verband tussen de beeldende OE, gemeten met bOE vragen, en intelligentie, gemeten met intelligentie-vragen.
  • Er is een positief verband tussen de sensitieve OE, gemeten met sOE vragen, en intelligentie, gemeten met intelligentie-vragen.
  • Er is een positief verband tussen de emotionele OE, gemeten met eOE vragen, en intelligentie, gemeten met intelligentie-vragen.
  • Er is een positief verband tussen de psychomotorische OE, gemeten met pOE vragen, en intelligentie, gemeten met intelligentie-vragen.

Methode

Om de intelligentie en de OE’s te meten is er een vragenlijst opgesteld (zie bijlage 1), welke door de ouders van 25 intelligente of hoogbegaafde kinderen is ingevuld. Het onderdeel van de vragenlijst welke betrekking heeft op de OE’s is gebaseerd op de OEQ-II (Falk & Silvermann, 1999). De respondenten zijn allemaal kinderen tussen de 4 en 15 jaar, waarbij de gemiddelde leeftijd M = 8,68 jaar, SD = 2,70. De onderzoeksgroep betreft 10 meisjes en 15 jongens. De kinderen zijn bekend bij een gespecialiseerde orthopedagogische en psychologische praktijk voor hoogbegaafdheid (Praktijk Hoogbegaafd in Roosendaal). De betreffende ouders hebben via deze orthopedagogische en psychologische praktijk de vraag voorgelegd gekregen of zij vrijwillig en anoniem deel wilden nemen aan een onderzoek. Na het verkrijgen van toestemming middels een e-mail, hebben zij de vragenlijst toegestuurd gekregen of hebben zij deze in de wachtruimte ingevuld en in een daartoe bestemde brievenbus gedaan. De vragenlijst bestaat uit 10 items over intelligentie. Deze vragen kennen een Likert-schaal met zeven antwoordcategorieën van één tot zeven, waarbij één ‘totaal mee oneens’ betekent en zeven ‘totaal mee eens’. Inhoudelijk vragen deze items naar de capaciteit tot leren en naar de resultaten ervan, zoals ‘Je kind heeft een hoog leertempo’ en ‘Je kind legt makkelijk verbanden’. Tevens wordt er gevraagd naar demografische gegevens als geslacht en leeftijd. Na dit eerste deel van de vragenlijst volgt een vragenlijst waarbij per OE 10 items in de lijst voorkomen. Zo wordt bij  de intellectuele OE gevraagd naar de intrinsieke motivatie tot leren en enkele intellectuele gedragskenmerken met vragen als ‘Je kind kijkt graag documentaires’ of ‘Je kind houdt zich bezig met levensvragen’. De beeldende OE zoekt onder andere naar antwoorden op de mate van creativiteit door  ‘Je kind houdt ervan om dingen te creëren’ als vraag te stellen. Sensitieve OE wordt onderzocht met een vraag als ‘Je kind heeft een hekel aan harde geluiden’, psychomotorische OE met een vraag als ‘Je kind zit niet stil tijdens het eten’ en emotionele OE met een vraag als ‘Je kind kan extreem boos zijn’. Elk item moest beantwoord worden met eenzelfde schaal tussen één en zeven als bij de schaal intelligentie.

Om te bekijken of de vragen van de afzonderlijke onderdelen onderling samenhangen en samen een factor vormen is er begonnen met het uitvoeren van een factoranalyse. Uit deze factoranalyse blijkt dat de schaal intelligentie uit één factor bestaat met een Crohnbach’s alpha van .819. Dit betekent dat er een grote samenhang is tussen de vragen op het onderdeel intelligentie. De factoranalyse op de intellectuele OE laat zien dat er sprake van is dat item 2, 3 en 7 een lage samenhang hebben met de overige items uit de schaal intellectuele OE. Hierop is besloten deze items weg te halen uit de vragenlijst, waarna er gesproken kan worden van één factor met een Crohnbach’s alpha van .787. Bij de factoranalyse van de  psychomotorische OE wordt gezien dat er sprake is van één factor  met een Crohnbach’s alpha van .791. Ook bij analyse van de sensitieve OE wordt één factor waargenomen met een Crohnbach’s alpha van .823. Bij de beeldende OE wordt echter gezien dat er drie componenten worden waargenomen. Component één bestaat uit item 1, item 10, item 2 en item 4. Deze is hernoemd naar de ‘beeldende fantasie’ en heeft een Crohnbach’s alpha van .700, component twee bestaat uit item 5, item 6 en item 9 en is hernoemd naar ‘zich levendig zorgen maken’ met een Crohnbach’s alpha van .822. Component drie bestaat uit item 3, item 7 en item 8 en is hernoemd naar ‘verbale creativiteit’ met een Crohnbach’s alpha van  .792. De emotionele OE geeft bij de factoranalyse een zeer versnipperd beeld en laat ook een Crohnbach’s alpha van .435 zien. Het verwijderen of omdraaien van een item geeft hierbij nauwelijks verbetering. Tevens is er geen samenhang te bedenken in de items waarmee ze hernoemd kunnen worden naar nieuwe componenten. Dit betekent dat de vragen niet als één factor beschouwd mogen worden en daardoor is besloten om deze hypothese niet verder te onderzoeken.

Middels een multiple regressieanalyse is nagegaan in hoeverre de overexcitabilities de intelligentie kunnen voorspellen.

Resultaten

De gemiddelde waarden van de factoren zijn erg hoog (zie tabel 1). Intelligentie M = 5,80, Psychomotorische OE M = 5,28, Sensitieve OE M = 5,26, Intellectuele OE M = 5,83, Beeldende fantasie M = 6,02, Zich levendig zorgen maken M = 5,48 en Verbale creativiteit M = 5,83. Uit het model komt verder naar voren dat 68,5 % van de intelligentie te voorspellen is door de OE’s (zie tabel 2). R2= .685 met F (1, 23) = 6,514 en p = .001. Uit de Multiple Regressie Analyse (zie tabel 3) blijkt verder dat de beeldende fantasie (p = .041) en de intellectuele OE (p = .013) een significante voorspeller zijn voor intelligentie. De overige OE’s zijn geen significante voorspellers van intelligentie; psychomotorische OE (p = .805),  zich levendig zorgen maken (p = .968), verbale creativiteit (p = .078), sensitieve OE (p = .062).

 

Gemiddelden per schaal

Schaal Gemiddelde Standaard-deviatie
intelligentie 5,7960 ,720
iOE 5,8267 ,616
pOE 5,2800 ,997
beeldende fantasie 6,0200 ,718
zich levendig zorgen maken 5,4800 1,171
verbale creativiteit 5,8267 ,943
sOE 5,2640 ,909

Tabel 1

 

 

Voorspelbaarheid van het model

Model R R Square F Change Sig. F Change
 

 

,827 ,685 6,514 ,001

Tabel 2

 

 

Coëfficiënten

B Std error t Sig.
iOE ,566 ,205 2,756 ,013
pOE -,027 ,108 -,251 ,805
Beeldende fantasie -,393 ,178 -2,207 ,041
Zich levendig zorgen maken -,004 ,092 -,040 ,968
Verbale creativiteit ,249 ,133 1,869 ,078
sOE ,287 ,144 1,987 ,062

 

 

 

Discussie

Doelstelling van het onderzoek was om na te gaan of er een relatie is tussen de vijf Overexcitabilities en de intelligentie van  hoogbegaafde kinderen. Meer specifiek werd nagegaan of de afzonderlijke Overexcitabilities een positief verband hebben met intelligentie, gemeten met algemene vragen over het cognitief functioneren van het kind.

De hoge gemiddelde waarden van de factoren geven weer dat de respondenten de verschillende OE’s bij hun kind in grote mate herkennen. Concluderend kan daarbij gesteld worden dat de intellectuele OE inderdaad een significant verband heeft met intelligentie. De beeldende OE is verdeeld in drie componenten, waarbij de component die de verbale creativiteit meet tevens een significante voorspeller is van intelligentie. De andere twee componenten, zich levendig zorgen maken en beeldende fantasie, geven geen significant verband met intelligentie. Zij zijn dus geen voorspeller van intelligentie. Ook de sensitieve OE en de psychomotorische OE geven geen significant verband en hebben geen voorspellende waarde met intelligentie. De emotionele OE is vanwege de lage samenhang tussen de items uit het onderzoek gelaten. Terugkomend op de deelvraag, ‘Heeft de intellectuele OE een sterkere unieke relatie met intelligentie dan de unieke relatie tussen de andere OE’s en de intelligentie?’, kan geconcludeerd worden dat de intellectuele OE inderdaad een sterkere unieke relatie met intelligentie heeft dan de unieke relatie tussen de andere OE’s en intelligentie.

Bij nader onderzoek zou het verstandig zijn om item 2 van de intelligentie-vragen anders te formuleren. De steekproef bestaat namelijk uit een klinische doelgroep die niet optimaal presteert. Hierbij is het vermoeden dat er  in het verleden wel sprake is geweest van autonoom leren, maar dat dit mogelijk op dit moment niet meer plaats vindt. Item 2 had derhalve beter geformuleerd kunnen worden als: ‘je kind heeft zichzelf ooit nieuwe dingen aangeleerd’. Hiermee zal de samenhang sterker worden. Verder bestaat de steekproef alleen uit intelligente kinderen, waardoor de resultaten niet vergeleken kunnen worden met een gemiddelde controlegroep. Het dient aanbeveling om deze controle wel uit te voeren en daarmee een breder beeld te creëren. De emotionele OE is uit het onderzoek weggelaten door de zwakke samenhang tussen de items. Verder onderzoek is noodzakelijk om een betere vragenlijst op deze factor samen te kunnen stellen. Uit de theorie komt de vraag naar voren of de vragenlijst over de OE’s van toegevoegde waarde kan zijn bij onderzoek naar hoogbegaafdheid. De resultaten laten zien dat dit enkel op de intellectuele OE en de verbale creativiteit het geval is. Verbetering van de vragenlijst kan hier mogelijk van toegevoegde waarde zijn, vooral omdat de sensitieve OE en de verbale creativiteit bij een grotere onderzoeksgroep en verbeterde vragenlijst mogelijk wel een verband zouden kunnen laten zien. Daarmee zou de maatschappelijke relevantie van het onderzoek, namelijk het vinden van een completere diagnostische methode waarmee hoogbegaafdheid onderzocht kan worden, mogelijk nog beter onderzocht kunnen worden en kan de vragenlijst uiteindelijk een aanvulling op een standaard IQ-test zijn.

 

Referenties

Mofield, E. & Parker Peters, M., (2015). The relationship between perfectionism and

overexcitabilities in gifted. Journal for the Education of the Gifted, 38, 405–427

Silverman, L., (1998). Through the lens of the giftedness. Roeper Review, 20

Warne, R.T., (2011). A reliability generalization of the Overexcitability Questionnaire–Two.

Journal of Advanced Academics, 22, 671–692

Winkler, D., & Voight, A., (2016). Giftedness and overexcitability: Investigating the relationship

using meta-analysis. Gifted Child Quarterly, 60, 243–257

Wirthwein, L. & Rost, D.H., (2011). Focussing on overexcitabilities: Studies with intellectually

gifted and academically talented adults. Personality and Individual Differences, 51,

337–342

Yakmaci‐Guzel, B., & Akarsu, F., (2006). Comparing overexcitabilities of gifted and non‐gifted

10th grade students in Turkey. High Ability Studies, 17, 43-56

 

0